Zaak Kevelham: bloed op de rug

De zaak Kevelham:
Bloed op de rug van de verdachte. De Internetrechter volgt ook de moord op J.G. Kevelham, 14 augustus 2009 in Hengelo.

 

De man werd met messteken om het leven gebracht. Verdachte Engelbert G. werd aangehouden, maar die ontkent. Hij zat onder het bloed, maar het raadselachtige is: het zat op de achterkant van zijn overhemd.
12 februari is de volgende zitting.

De voorlopige dagvaarding luidt:

Engelbert G., Hengelo
Geboortedatum:  1964

Verdacht van

1. dat hij op 14 augustus 2009, in Hengelo opzettelijk en met voorbedachten rade J.G. Kevelham van het leven heeft beroofd, door hem meermalen met een of meer messen althans (een) scherp(e) voorwerp(en) in het hoofd en of elders in het lichaam heeft gestoken of gesneden, ten gevolge waarvan Kevelham is overleden.
Moord

Althans, subsidiair,

Dat hij Kevelham opzettelijk van het leven heeft beroofd, maar zonder voorbedachten rade, dus: doodslag

20 november 2009 had er een pro forma zitting plaats waarin advocaat Petra Breukink vroeg om G. in vrijheid te stellen. Er is volgens haar geen bewijs. De rechtbank wees het verzoek af. De zitting verliep als volgt:

Officier Carlo Dronkers zei: “Mijn doel is de zaak in februari 2010 inhoudelijk te behandelen. Er is psychologisch onderzoek aangevraagd. De audiovisuele opnamen zijn veiliggesteld en beschikbaar voor de verdediging. Dat geldt ook voor de NS- en de AH-beelden. De foto’s zijn digitaal verstrekt en het proces verbaal van de vrouw die wordt genoemd”.

Advocaat Breukink: “Ik vraag me af waarom het een voorlopige dagvaarding is. Zolang ik geen definitieve tenlastelegging heb kan ik niet zeker zijn over alle onderzoekswensen”.

Dronkers: “De dagvaarding gaat niet ernstig afwijken”.

Breukink: “Ik heb nog een aanvulling: ik wil graag inzage in het schaduwdossier. Met info over de cd-set en de nagels. Ik heb de getuigen gegroepeerd in mensen rondom de cliënt die verklaard hebben over wat er om het huis gebeurde.
De tweede groep is de ggd-arts, de verbalisanten en de ambulancebroeders die beschrijven hoe ze het huis aantreffen en het slachtoffer. Ik wil vragen stellen over hoe de woning eruit zag.
Dan de medegedetineerden en de overige personen uit het verslavingscircuit. Ik denk dat het logisch is dat zij worden ondervraagd. Mevrouw H. en ene R. die vaak te vinden is bij het Gerritjan Heekplein.
Dan de omwonenden die allemaal door de politie gehoord zijn, maar er zijn vragen die we nog willen stellen met betrekking rond het huis en hun zicht op de kamer waar het slachtoffer is aangetroffen. Ook mevrouw H., Tactus, die die middag contact zou hebben gehad met client, wil ik vragen stellen.
Ik realiseer me dat dit een moord- en doodslagzaak is. Realiseer me dat er tijd voor nodig is. Maar naarmate de tijd vordert moeten we strenger kijken naar het dossier.
Alleen dat hij er vrijdag was en het DNA-bloedspoor zijn belastend. Er is onduidelijkheid over het tijdstip van overlijden. Als dat precieser wordt, kunnen we mogelijk zien dat mijn client er toen niet was.
Bloedspoor op schoenen en ringen ontbreken. Luminolonderzoek levert niets op. Andere stukken hadden belastend kunnen zijn, maar zijn dat nu eenmaal niet.
OM suggereert dat client Kevelham heeft omgebracht. Alleen op de rug een bloedspoor, terwijl slachtoffer kennelijk op bed liggend is aangevallen. Ik heb het niet over de prietpraat uit een bepaald circuit. In hoeverre kunnen we die mensen als betrouwbaar aanmerken. Het onderzoek mag doorlopen maar de gevangenhouding kan worden opgeheven vanwege het ontbreken van ernstige bezwaren. Cliënt zegt ook: “Ik heb het niet gedaan”. Ik weet dat cliënt bij een verhoor heel kwaad is geworden omdat hij het niet heeft gedaan”.

Dronkers: “Het schadedossier is een op een hetzelfde. Ze mag het mijn inzien. Ik ben het eens met de onderzoekswensen. We streven waarheidsvinding na. Ik ben het niet eens met opheffen of schorsing. Er is meer dan een DNA spoor. Ik zal niet zeggen veel. Maar er is meer. We hebben een bloedspattenspoor op de rug dat nat op de rug is gekomen. Hij moet op de plaats delict zijn geweest toen het gebeurde. Hij is met dingen geconfronteerd, met aspecten die wonderlijk zijn terwijl hij daar niets over wil zeggen. Hij heeft bijvoorbeeld tegen medegedetineerden spontaan verteld dat hij het heeft gedaan. Er zijn meer dan voldoende ernstige bezwaren”.

Breukink: “Ik heb om opheffing gevraagd. Meneer zou ringen graag terug willen”.
Dronkers: “Volgens mij zijn die voor onderzoek vastgelegd, maar ik zal er naar kijken”.

Rechter Bert Stoove: “Meneer de officier. De kans bestaat dat het tijdstip van overlijden een cruciaal punt wordt. De gegevens die we hebben zijn erg summier. Tien, twaalf uur met een marge. Het verdient aanbeveling dat u dat concreter kunt krijgen en meer onderbouwd”.

G.: “Ik snap het niet, want ik heb er helemaal niets mee te maken”.

Stoove: “Hebt u verklaring voor bloed op de rug”.

G.: “Ik ben er geweest. Ik ben terug gelopen. Ik heb hem misschien aangeraakt, ik weet het niet. Ik was twee dagen goed dronken.”

Stoove: “Het is een belangrijke aanwijzing”.

G.: “Ik snap het niet. Ik heb hem gevonden en ben naar buiten gevlucht. Ik heb dit nog nooit meegemaakt. Ik kom rare dingen tegen met gedetineerden, ik ken die gedetineerde helemaal niet, ik ben niet in de cel geweest. Ook wat de buurman zegt, dat klopt allemaal niet”.

Stoove: “We houden de zaak aan tot 12 februari, verwijzen de zaak naar de rc voor horen van diverse getuigen. U wordt niet in vrijheid getseld. In het bijzonder vanwege de bloedsporen op de kleding die kennelijk van het slachtoffer zijn en waarvoor u geen verklaring heeft, de verklaringen van de twee verklikkers en nog een paar aanwijzingen. Er is de ernstige verdenking dat u met de dood van het slachtoffer te maken heeft. Het onderzoek is nog in volle gang.