De eis

Achilles DamenNotities t.b.v. requisitoir

Verdachte Marike H.
Parketnummer ***
MK 21 augustus 2009

Voordracht TLL:
 

  1. zij in of omstreeks de periode van 1 november 2006 tot en met 30 november 2006, althans in of omstreeks de periode van 1 januari 2006 tot en met 1 september 2007, te Enschede, althans in Nederland, als moeder, ter uitvoering van een onder de werking van vrees voor de ontdekking van haar aanstaande bevalling genomen besluit, althans onder de werking van vrees voor de ontdekking van haar bevalling, haar kind bij of kort na de geboorte opzettelijk van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet bij dat kind bij of kort na de geboorte de keel en/of hals en/of mond dichtgedrukt en/of dichtgeknepen en/of samengedrukt en/of dichtgedrukt gehouden en/of dichtgeknepen gehouden en/of samengedrukt gehouden, althans (verstikkend) geweld op de keel en/of de hals en/of de mond uitgeoefend, ten gevolge waarvan dat kind is overleden;

    subs moord/doodslag
     
  2. zij op of omstreeks 4 mei 2008, althans in of omstreeks de periode van 20 april 2008 tot en met 31 mei 2008, althans in of omstreeks de periode van 1 september 2007 tot en met 1 juli 2008, te Enschede, althans in Nederland, als moeder, ter uitvoering van een onder de werking van vrees voor de ontdekking van haar aanstaande bevalling genomen besluit, althans onder de werking van vrees voor de ontdekking van haar bevalling, haar kind bij of kort na de geboorte opzettelijk van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet nagelaten bij dat kind bij of kort na de geboorte de navelstreng die zich tijdens en/of na de geboorte om de keel en/of hals bevond te verwijderen en/althans de ademweg van/voor dat kind vrij te
    maken, althans (verstikkend) geweld op de keel en/of de hals en/of de mond uitgeoefend, ten gevolge waarvan dat kind is overleden;

    subs moord/doodslag

Opbouw requisitoir

Overwegingen over het bewijs
Vertalen van de feiten naar de tll en de juridische waardering ervan
Strafmaatoverwegingen
Eis

De feiten en de tenlastelegging:

Beide feiten.
November 2006 en mei 2008.
Kind wordt geboren in een studentenhuis. Baring in stilte omdat Marike niet wil dat iemand het merkt. Heeft tijdens de zwangerschap iedereen op de mouw gespeld dat ze een baarmoederprobleem heeft, wat iedereen ook uiteindelijk geloofde of er in ieder geval genoegen mee nam.

Dan wordt het kind geboren. Het eerste kind wordt in bed geboren en neemt ze bij zich, maar als ze dan hoort dat er iemand aan komt drukt ze met haar hand bij het kind de mond en neus dicht en drukt vervolgens een kussen op het gezicht van het kind waardoor het overlijdt. Actief handelen derhalve; opzet in juridische termen.

Bij het tweede kind vindt de bevalling plaats op het toilet. Het kind komt in de toiletpot terecht en heeft de navelstreng om de hals. Marike ziet het kind bewegen, ziet het blauw worden en doet niets, waarna het kind overlijdt. Als aanwezige volwassene en vooral als moeder had ze hier levensreddend behoren te handelen. Door helemaal niets te doen stelt ze zich bloot aan de aanmerkelijke kans dat het kind zal overlijden.

Daarbij ben ik van mening dat bij de beoordeling van dat kansopzet twee omstandigheden een rol spelen. Het niet aanwezig zijn van een panieksituatie (PBC + psychiater ttz) en het feit dat het niet de 1e bevalling was en Marike dus bekend was met het feit dat een kind bij de geboorte hulp nodig heeft.

Is er nu naast het opzet ook sprake van voorbedachte rade; het na rijp en kalm beraad handelen?
Neemt geen enkele maatregel voorafgaand aan de bevalling voor de bevalling zelf en wat er vervolgens met het kind moet gebeuren: zelf opvoeden, afstaan voor adoptie. Ze wordt min of meer overvallen door de bevalling. Heeft op geen enkel moment gedacht over wat er met het kind zou moeten gebeuren. Verklaart ook niet over het maken van plannen. TTZ is ze over 1 ding wel duidelijk: niemand mag het weten.
Geen aanwijzingen voor voorbedachte rade; geen bewijs.

Ik zie wel verschillen tussen beide feiten:
-bij de 1e zwangerschap heeft ze een hele façade opgetrokken rond de ontkenning van de zwangerschap: de zwangerschapstest, de vriendinnen in het ziekenhuis. Ze wendde voor buikproblemen te hebben als gevolg van een bloedprop, die in november 2006 dan door een soort miskraam was verdwenen. De 2e keer was er niet zo’n façade: daar ontkende ze gewoon zwanger te zijn;
-de 1e doding kwam op een moment dat ze geluid hoorde in het studentenhuis op het moment dat de baby begon te huilen. De 2e keer was die trigger van geluid en huilen er niet. Op het moment dat ze iemand hoorde was de baby vermoedelijk al overleden.

Ik ben van mening dat die verschillen voor de waardering van het bestanddeel ‘’onder werking van vrees voor de ontdekking van de bevalling’’ niet relevant zijn. Het gaat in beide gevallen om een voortdurende situatie –onder duidelijke invloed van een stoornis- van ontkenning van haar zwangerschappen. Dat die ontkenning niet permanent was (zeker bij de laatste zwangerschap) en ze dus op een aantal momenten wel bewust bezig was met die zwangerschap(pen) doet daaraan niet af. Die situatie zien we in het proefschrift van Verheugt in een aantal van de onderzochte casus terug.
Het gaat uiteindelijk om de situatie tijdens en kort na de bevalling; daar was ze steeds in een toestand van ontkenning. Ik ken daarbij betekenis toe aan het feit dat Marike door de 2e bevalling veel meer overvallen lijkt te zijn dan de 1e keer, getuige het feit dat de baby in de toiletpot ter wereld kwam.
De dodinghandeling tenslotte was telkens geen dissociatieve paniekimpuls, zoals al beschreven, maar was een uitvloeisel van de ontkenning en van de stoornis.

Overweging: als je 2x eerder zwanger bent geweest en die zwangerschap actief hebt laten afbreken, ben je dan niet bij een volgende zwangerschap heel bewust bezig met zwanger zijn en vooral blijven? En als dan het kind aanstaande is kan je dan nog zeggen dat je hebt gehandeld uit angst voor ontdekking? En geldt dat mogelijk voor het 1e kind in 2006, maar kan je dat dan nog volhouden bij het 2e kind in 2008?
1e reactie. Onderzoek Verheugt en anderen. Zaak Beverwijk en zaak Groningen.
PBC-rapport (citaat p. 60 en p. 63). Vb krachtige loochening: Beverwijk

Conclusie: door haar zwangerschappen steeds ook voor zichzelf te ontkennen, die loochening ook krachtig over te dragen op haar omgeving, door de bevalling als het ware over zich heen te laten komen en door die bevalling steeds in stilte te ondergaan kom ik tot de conclusie dat er sprake is van bewezenverklaring van het bestanddeel ‘’onder werking van vrees voor de ontdekking van de bevalling’’. .

Bronnen bewijs geleefd hebben en doding.
Met name Marikes eigen verklaring dat beide kinderen geleefd hebben en hoe ze ze om het leven heeft gebracht. Daarnaast is er het forensisch bewijs dat de kinderen voldragen waren, wat een wezenlijke aanwijzing is dat deze kinderen een optimale kans hadden om levend ter wereld te komen. Uit DNA-onderzoek blijkt onomstotelijk dat Marike de moeder was. Tav het 2e kind wordt inderdaad navelstreng om hals aangetroffen.
Marikes verklaringen zijn gedetailleerd en consistent, ook hier ter terechtzitting. Dat samen –cf Rb Haarlem- voldoende bewijs voor het geleefd hebben en vervolgens doden van beide kinderen.

Conclusie:
Voor beide feiten bewijs van het primair tenlaste gelegde in de variant kinderdoodslag (290 Sr).

Persoonlijke omstandigheden

Is verdachte strafbaar?
Conclusie PBC: verminderd toerekeningsvatbaar; kan dus wel verantwoordelijkheid dragen voor de feiten.

De strafeis

Enerzijds: heeft kinderen gedood direct na de geboorte. Die kinderen hebben geen enkele kans gehad; zij was de enige persoon die ze die kans had kunnen geven. Door straf te vragen wordt tot uitdrukking gebracht dat ongeboren en zo juist geboren leven bescherming verdient en dat de moeder de eerstaangewezen persoon is om die bescherming te geven.

Specialis bewezen verklaard (6 jr max ipv 15 jr). Wetgever heeft met de bijzondere situatie van de moeder nadrukkelijk rekening willen houden.
Interpretatie bestanddeel.‘’onder werking van vrees voor de ontdekking van de bevalling’’. Dienstbode delict ? Rb Haarlem (citaat //).

Omdat hier twee kinderen gedood zijn is uitsluitend een gevangenisstraf de passende strafsoort. Blijkt ook uit andere zaken (overzicht).
Bij de duur van de straf zal ik nadrukkelijk rekening houden met de verminderde toerekenbaarheid, het feit dat ik ook oplegging van een maatregel zal vragen en het  me wenselijk lijkt dat met de behandeling snel een aanvang kan worden gemaakt.

Anderzijds: PBC rapport gebrekkige ontwikkeling (borderline met antisociale kenmerken). Gevaar voor herhaling en noodzaak van behandeling. Intensieve en langdurige behandeling. Probleem van gemotiveerd blijven. Advies TBS met dwangverpleging.
 
Boodschap: uit deze zaak (en uit de andere zaken vandaag genoemd en de zaken besproken in de studie van Verheugt) volgt ook iets dat je zou kunnen scharen onder algemene preventie. Niemand in de omgeving van Marike en die andere vrouwen konden bevroeden dat uiteindelijk een kind zou worden gedood door de vrouw die zwanger leek, maar stellig ontkende het te zijn.
Nu achteraf weten we beter. De les die we als samenleving in het algemeen en als hulpverleners in het bijzonder uit al deze zaken kunnen trekken is dat we geen genoegen moeten nemen met de hardnekkige ontkenning van de toch zichtbare zwangerschap en dat we –ook als de vrouw in kwestie zich van je afwendt als je blijft doorvragen- hulp moeten inschakelen voor de aanstaande moeder, maar vooral voor het kind.

Resumerend:
1,5 jaar gevangenisstraf met aftrek van voorarrest
TBS met dwangverpleging

A.    Damen,
Officier van justitie
 
 

  Vindplaats kinderen eis vonnis
Zaak Beverwijk 2007; Rb Haarlem
24.10.2008
LJN AZ0774
 
4 4 jaar en TBS dwangverpleging 3 jaar en TBS dwangverpleging
Zaak Groningen 2007 Rb Groningen 24.04.2008
LJN BD0507
 
1 3 jaar gevangenisstraf wv 1 jaar vv  proeftijd 3 jr.
BV recl toezicht
 
36 maanden  gevangenisstraf wv 18 maanden vv  proeftijd 2 jr.
BV recl toezicht
 
Zaak Den Haag 2004 Rb den Haag
26.11.2004
LJN AR 6518
 
1 3 jaar gs en TBS voorwaarden voor 291 Sr Idem voor 290 Sr
Zaak Breda/Hengelo 2004 Rb Breda
07.07.2004
LJN AP8503
 
1 12 mnd gs vv p3 en voorarrest ovw
(voor 307 Sr en 151 Sr)
 
6 mnd gs vv p3 +bv recl toezicht
(voor 307 Sr en 151 Sr)
 
Zaak Amsterdam 2002 Rb A’dam 06.11.2002
LJN AF0717
 
1 Niet gepubliceerd 12 maanden gevangenisstraf
TBS met dwangverpleging